Maandelijks archief: maart 2011

Recensie Het inzicht van Griffin door Richard Russo.

Het inzicht van Griffin – Richard Russo

Roman

Waardering: *****

Uitgeverij Signatuur

2010

 

 

De achterflap

‘De middelbare leeftijd, begreep hij onderhand, was een periode in je leven waarin alles voorspelbaar was en toch zag je nooit iets aankomen.’

Zijn hele leven heeft Jack Griffin geprobeerd aan zijn ouders, snobistische academici, te ontsnappen. Hij ging naar LA om scenario’s te schrijven en trouwde daar met Joy, een vrouw beneden zijn stand, volgens zijn bemoeizuchtige moeder.

Maar in de loop der jaren is er veel veranderd in Griffins leven: op aandringen van Joy kopen ze een huis, iets waar zijn ouders als eeuwige huurders nooit aan toe zijn gekomen. Ook geeft hij inmiddels les aan een universiteit aan de oostkust, waar zijn ouders nooit een baan wisten te bemachtigen. Die hebben tandenknarsend hun leven moeten slijten in het fucking’ Midwesten. Toch is Griffin niet gelukkig. Een onbestemd gevoel van onvrede berooft hem van zijn nachtrust en het lukt hem maar niet de as van zijn inmiddels overleden vader uit te strooien.

Dan trouwt de beste vriendin van zijn dochter Laura op Cape Cod, de plek waar Griffin vroeger met zijn ouders de vakanties doorbracht. Joy en Griffin bezoeken de bruiloft, terwijl hun eigen huwelijk op losse schroeven staat. Enmaal weer op de ‘Cape’, met zijn vaders urn in de kofferbak en zijn moeder die hem continu opbelt, vraagt Griffin zich af of hij ooit werkelijk heeft kunnen ontsnappen aan zijn opvoeding. Hoewel hij zijn leven zorgvuldig heeft afgeschermd tegen hun inmenging, verwijt Joy hem dat zijn ouders een nadrukkelijk stempel op hun huwelijk hebben gezet. Maar hoe goed kende Griffin zijn ouders eigenlijk? Wat wist hij wérkelijk van hun leven?

Het inzicht van Griffin is een roman vol zelfbeschouwing. Het trieste besef dat het onmogelijk is om aan je opvoeding te ontsnappen wordt met meesterlijke lichtvoetigheid verteld

De schrijver

Richard Russo (Johnstown, 1949) woont met zijn vrouw aan de kust van de Amerikaanse staat Maine, en in Boston. Zijn romans Empire Falls (Signatuur, 2004) en Brug der Zuchten (Signatuur, 2008) kwamen allebei op de Nederlandse bestsellerlijst terecht. Voor Empire Falls won hij de prestigieuze Pulitzer Prijs. 

Russo’s specialisme is grote verhalen over families, het leven in small-town Amerika en de verborgen maatschappij die Amerika nog steeds is.  Drie van zijn romans zijn verfilmd, waaronder Empire Falls met o.a. Ed Harris, Philip Seymour Hofmann, Helen Hunt, Robin Wright-Penn en Paul Newman

Wat vond ik?

In Het inzicht van Griffin volgen we de gedachtegang van Jack Griffin rondom en tijdens twee bruiloften, een van zijn dochter en van een jeugdvriendin van haar. Die gedachtegang brengt ons terug naar zijn jeugd waar hij werd opgevoed door twee niet helemaal geslaagde academici, die hun gebrek aan succes compenseerde met hun misplaatste gevoel voor superioriteit ten opzichte van zo een beetje de rest van de wereld. Jack die bungelde daar een beetje bij als enig kind en eenmaal volwassen probeert hij de afstand letterlijk en figuurlijk zo groot mogelijk te maken tussen hen, maar eenmaal overleden blijft hij meer dan een jaar rondrijden met hun as in de achterbak van zijn auto. Loslaten blijkt toch iets moeilijker dan gedacht. Lukt het hem hun as uit te strooien in Cape Cod? Het gebied waar zijn ouders een obsessieve verhouding mee hadden tijdens hun leven. Helaas lukt het hun niet om er bij leven ook daadwerkelijk te gaan wonen en moesten ze na iedere zomervakantie weer terug naar het door hen genoemde fuckin’ midwest.

Een andere rooie draad in dit boek is zijn huwelijk dat na 30 jaar lijkt te stranden. Het leven dat ze hebben afgesproken te gaan leiden tijdens hun huwelijksnacht lijkt te zijn voltooid, maar ten koste van wat en wie? Het einde van het boek doet misschien wat zoetsappig aan maar is volgens mij meer een ode aan Jack Griffin, de scenarioschrijver. In de begin jaren van zijn huwelijk is Jack namelijk een niet onfortuinlijke scenarioschrijver in LA. Helaas past die baan en woonplaats niet in het afgesproken levensplan maar hij weet het aardig te rekken en na 10 jaar besluiten ze dan uiteindelijk toch naar de oostkust te vertrekken en gaat hij lesgeven op een universiteit. Waar hij zich specialiseert in het lesgeven van het vak creatief schrijven. Helemaal los komt hij niet van het scenarioschrijven en hij keert dan ook tussen de twee bruiloften in terug naar LA om zijn oude beroep weer nieuw leven in te blazen of is het een vlucht naar het verleden?

Het is een heerlijk herkenbaar boek met veel humor en karakters die iedereen wel in zijn familie tegenkomt. Het boek laat zich lezen als een beeldend scenario en Russo heeft als rasverteller weer een pareltje afgeleverd. Ik heb het boek van het begin tot het eind met een glimlach op mn gezicht gelezen en vooral bij de hilarische scene dat zijn schoonvader met rolstoel en al in de taxushaag verdwijnt tijdens de bruiloft van zijn dochter, hard op moeten lachen. Binnenkort verschijnt er een nieuw boek van Russo, Schadevolle jaren, ik kan niet wachten!

 www.uitgeverijsignatuur.nl

To be continued (6)

Deel 6 is geschreven door gastschrijver Nak van Dartel.
www.vandenakopdetak.blogspot.com/

Verstijfd blijf ik staan en loop langzaam richting de spiegelwand. Allerlei gedachten en vragen schieten als vuurpijlen in fracties van seconden door mijn hoofd. Wie is die vrouw in de spiegel, hoe ben ik hier in godsnaam terechtgekomen, hoe kom ik in de vrachtwagen, wat doen ze hier met die vrouwen, waarom zijn ze zwanger? Wie is die vrouw in de spiegel? WIE IS DAT?

Dan hoor ik de vrachtwagen dichterbij komen. Ik denk aan Rosa die in de laadruimte zit. Ik zet mijn warrige gedachten opzij en ren naar de deur aan de zijkant van het restaurant. Hopelijk kan ik in de wagen springen. Maar dan moet eerst die deur open! De deur wil niet open. Ga open! De deur geeft geen centimeter mee. Ik zie de vrachtwagen langs me rijden. De laadklep is dicht. Als ik naar buiten had kunnen komen, dan had het nog geen zin gehad. Arme Rosa. Opgesloten in een laadruimte van een vrachtwagen, op weg naar een onbekende bestemming. Waarom moest ik nu zo nodig wat te eten halen. Waarom heb ik alleen maar aan mezelf gedacht?

Tijd om er lang over na te denken, heb ik niet. Ik moet die vrouwen redden, ik moet Rosa redden, ik moet mezelf redden! Terug naar waar ik vandaan kwam, kan niet. Daar hoorde ik mensen. Ik kijk om me heen en zoek naar een andere uitgang is. Dan valt mijn oog weer op de spiegelwand. Wie ben ik? Ik heb geen rood krullend haar, ik heb geen bruine ogen. Maar dat zie ik wel in de spiegel. Ik zie een hele knappe vrouw met een prachtig figuur. Niet dat ik mezelf lelijk vind, maar de vrouw die ik nu in de spiegel zie, is haast oogverblindend.  Hoe verwarrend dit ook allemaal is, mijn geest is uitermate scherp. Als in een flashback zie ik weer die vijf, licht gedrogeerde hoogzwangere vrouwen voor me. Ook zij hadden rood krullend haar. Mijn god, waar ben ik beland. Wat doen ze met ons?

Achter me hoor ik een ploppend geluid. Voordat ik tijd heb me om me te draaien, voel ik de kracht uit mijn benen vloeien. Ik val op de grond en alles wordt zwart.

Die koppijn, die vreselijke koppijn! Hoe kom ik toch aan die ongelofelijke koppijn? Dat is het eerste dat ik me afvraag als ik weer bij kennis ben.  Als ik mijn ogen open wil doen, doe ik ze snel weer dicht. Dat felle licht kan ik nu gewoonweg niet velen.  Ik grijp naar mijn hoofd alsof ik daarmee de pijn kan wegnemen.  “Dan had je maar een pijnstiller moeten nemen”, hoor ik een man links naast me zeggen. Langzaam draai ik mijn hoofd naar links en probeer voorzichtig mijn ogen weer te openen. Half verblind door het felle licht zie ik dezelfde man staan als eerder vandaag. Hij kijkt me lachend aan. “Zo, daar ben je weer. Blijf je nu wel rustig liggen? Trouwens, je kan toch geen kant op.“

Ik probeer overeind te komen, maar merk dat ik vanaf mijn middel ben vastgesnoerd. Mijn armen en handen zijn vrij;  vreemd eigenlijk. De man gaat op een stoel zitten en steekt een sigaret op. “Wie ben jij en wat doe ik hier?”, vraag ik aan hem. “Maak je geen zorgen”, zegt hij. “Straks zal alles duidelijk worden. Alles komt goed. De baas komt er aan.” Ik begin in paniek te raken. Ik denk aan Rosa, ik denk aan die spiegelwand, ik denk aan die zwangere vrouwen. Allemaal met rood krullend haar. Ook ik! Wat gaan ze met me doen? Mij zwanger maken?

Mijn gedachten worden verstoord door een opengaande deur. “Hallo mevrouw Rosa. Hier is ze weer. Maar nu is ze voor alle zekerheid vastgebonden”, zegt de man met de sigaret. Rosa? De kleine Rosa? Is zij de baas?

Volgende week zondag deel 7. Wil je zelf bepalen hoe het verhaal verder gaat en ook een deel schrijven? Laat het me weten!

To be continued (5)

Deel 5 is geschreven door gastschrijver Lucas Bezembinder. http://verhaal140.wordpress.com/ en is te vinden op twitter @verhaal140

Iets verderop gebaart het meisje naar een ander rooster. Ik klem de metalen spijlen tussen mijn vingers en ben verbaasd dat het zo makkelijk open gaat. Blijkbaar is het meisje hier ook voor verantwoordelijk. We komen uit in een donkere kamer. Ik zie helemaal niets. Ik voel dat het meisje mijn hand weer pakt en mij meevoert. Als een blinde laat ik mij leiden. Even later legt ze mijn hand op iets kouds. Alsof ik voorzichtig de huid van een nieuwe liefde streel probeer ik te voelen wat het is. Het is een stang die je naar beneden moet duwen om een grote deur te openen. Even aarzel ik. Bang om met veel lawaai ergens binnen te vallen waar ik niet wil zijn. Dan geeft het meisje mij een duw in mijn rug en doe ik het toch. Ik schrik van het gekraak. Met de deur op een kier kijk ik naar buiten. Ik moet even met mijn ogen knijpen. Na een paar seconden zijn ze aan het felle licht gewend en zie ik dat we op een lege parkeerplaats zijn uitgekomen. Daarachter een hoog hek met daar weer achter een eindeloze vlakte. Nergens zie ik huizen of andere tekenen van menselijke activiteit. 

Ik schrik wanneer het hek opengaat. Even later rijdt er een kleine vrachtwagen de parkeerplaats op. Iets verderop, bij precies zo’n deur als deze, stopt de bus. Een grote kale man stapt uit de bus en loopt naar de deur. Hij zegt iets door de intercom en doet daarna de laadklep open. Op het moment dat die helemaal naar beneden is gekomen, gaat de deur open. Ik trek gauw mijn hoofd naar binnen als ik zie dat het de man is die mij gisteravond waarschijnlijk hierheen heeft gebracht. Ik haal een paar keer diep adem en kijk weer voorzichtig naar buiten. Ik zie nog net de beide mannen met een draagbaar iemand naar binnen dragen. ‘Hun volgende slachtoffer?’ denk ik met afschuw. Bij die gedachte moet ik bijna overgeven. Dan merk ik ook dat ik enorme honger heb. Lang om daar over na te denken heb ik niet. Het meisje is langs mij heen geglipt en rent naar de vrachtwagen. Bang dat ze gepakt wordt, ren ik haar achterna. Vlakbij de laadklep haal ik haar in. Ze wijst naar de open achterbak. Dan begrijp ik haar. Dit is DE manier om hier weg te komen. In de laadruimte kijkend, zie ik achterin een paar dozen staan. Ik til het meisje op en wijs naar de dozen. Als ze in de laadruimte staat en ziet dat ik geen aanstalten maak om ook naar binnen te klimmen, kijkt ze mij bang aan. 

“Ik ben zo terug,’ fluister ik tegen haar. “Verstop je achter die dozen.” 

Ik moet iets te eten vinden. Wie weet hoe lang we nog in die vrachtwagen zitten. Wanneer ik daar van mijn stokje ga, zijn we nog verder van huis. 

Langzaam doe ik de deur waardoor de twee mannen met de brancard naar binnen zijn gegaan open. Ik kom in een soort hal uit met verschillende deuren. Op bijna alle deuren staan letters. Die leiden waarschijnlijk naar de bijbehorende afdelingen. Ik loop naar de enige deur zonder opschrift. Bij de deur aangekomen hoor ik plots gelach achter mij. Zonder om te kijken waar het gelach vandaan komt, ga ik naar binnen. 

Verbaasd kijk ik om mij heen. Ik sta in een gigantische eetzaal. Tientallen tafeltjes, keurig gedekt, maar zonder eters en ook zonder personeel. Ik kijk of ik ergens iets eetbaar zie. Vlakbij het enorme raam staat een soort vitrinekast. Ik ben blij verrast daar drie appels en een broodje te vinden. Op het moment dat ik die pak en in mijn zak steek, hoor ik buiten de vrachtwagen wegrijden. Even sta ik als aan de grond genageld. ‘Het meisje zit er nog in en ik moet haar helpen,’ denk ik bezorgd. Mijn hersenen maken overuren. Dan zie ik dat de weg die de vrachtauto neemt ook langs het restaurant loopt. Ik kijk om mij heen. Helemaal in de hoek zie ik een kleine deur. Voordat ik erheen ga, ren ik terug naar de kast. Ik pak het grote mes dat ik daar heb zien liggen. Op weg naar het deurtje zie ik mijzelf in de spiegelwand aan de andere kant van de eetzaal. Ik schrik. ‘Dat ben ik niet!’

- To be continued -

Volgende week zondag deel 6. Wil je zelf bepalen hoe het verhaal verder gaat en ook een deel schrijven? Laat het me weten!

To be continued (4)

Deel 4 is geschreven door gastschrijver Caroline Geurtsen.
www.bezieldcoachen.nl
 http://carogeurtsenmyblog.wordpress.com/

Het meisje kijkt me met grote ogen aan en legt haar vinger tegen haar lippen, ondertussen zachtjes achteruit schuifelend naar waar ik haar niet meer kan zien. Ik trek mijn badjas wat strakker om mij heen en volg haar. Dan zijn we in naar het schijnt een opslagplaats van ziekenhuis meubilair en ik krijg de kriebels als ik behalve dossierkasten en verstelbare bedden ook operatietafels en instrument kasten zie staan. ‘De instrumenten zelf zijn gelukkig nergens te bekennen’, schiet er door mij heen.
Dan voel ik in het schemerdonker een kleine hand de mijne pakken en loop ik achter haar aan tussen twee hoge kasten door, schijnbaar naar buiten. Maar het is een andere ruimte met een lichtkoepel en heel veel planten, het heeft iets van een hortus alleen veel killer qua temperatuur. De planten blijken plastic.
Het meisje wijst naar een kapstok in de hoek waar wat jassen hangen, verpleegstersuniformen, met op een ervan hier en daar een vlek oud geronnen bloed. Er loopt een rilling over mijn rug, maar ik doe wat ze schijnbaar van me verlangt en trek een relatief schone jas aan, knoop hem dicht en zie dan dat eronder ook een broek hangt, die ik snel aanschiet  terwijl zij ongeduldig heen en weer begint te lopen. Het paar veel te grote gympen laat ik ondanks mijn koude voeten na enige aarzeling staan.
Ze trekt me weer mee en aan haar gezicht te zien hebben we haast, ze kijkt schichtig de richting uit waar we vandaan komen. We gaan een hoek om en stoppen bij weer een paar kasten. Verwachtingsvol kijkt ze me aan, ik haal niet begrijpend mijn schouders op. Dan pakt ze een stoel, schuift die voor de kast en kijkt naar boven en dan weer naar mij. Als ik haar blik volg, meen ik te begrijpen wat ze van me wil. Hoog boven de kast zit een luchtrooster waar zij van haar lang zal ze leven niet bij kan, maar ik wel als ik op de stoel klim. Zonder aarzelen pak ik haar op en ze klemt haar armpjes als een aapje om me heen. Via de stoel klim ik moeizaam op de kast en onderzoek of ik het rooster met mijn handen open kan krijgen. Blijkbaar is ze hier eerder geweest want ze wijst met een draaiende beweging naar de al vrij los zittende vleugelmoeren waarmee het rooster in de sponning geklemd zit. Het is nog een heel gedoe om met mijn koude vingers het rooster op de kast te zetten, het meisje in het gat te tillen en er vervolgens zelf in te kruipen.
Ik moet gaan liggen om het rooster te pakken en terug op zijn plek te schuiven. Er is net genoeg ruimte om de twee onderste moeren iets aan te draaien en de twee bovenste te doen alsof. Dan krijg ik een klam handje op mijn mond gedrukt en liggen we allebei muisstil totdat de voetstappen van twee mannen die we langs de ingang van de kamer zien lopen, niet meer hoorbaar zijn. Als mijn ogen aan het donker gewend zijn, begin ik op mijn buik liggend naar achter te schuiven totdat we op een splitsing komen en een iets ruimere schacht in kunnen, naar recht of naar links. Zonder enige aarzeling gaat het meisje mij voor, zij kan staan en loopt zachtjes vooruit, ik schuifel op mijn billen met gebukt hoofd achter haar aan.
Dan komen we bij een ander rooster en kan ik een ruime lichte kamer inkijken, die in eerste instantie leeg lijkt. Bij nader inzien zitten en liggen er enkele vrouwen, de een op een bed, de ander op een sofa, een boekje lezend of haren borstelend. Het ziet er op het oog heel vredig uit. Dan gaan mijn nekharen overeind staan, alle vijf vrouwen die ik zie zijn duidelijk in een ver gevormd stadium van zwangerschap. Als er een vrouw met een dienblad de kamer binnenkomt, begint de ademhaling van het meisje naast me te versnellen en ze kruipt langs me naar het rooster.
Zachtjes tikt ze met haar nagels op het metaal. Geen van de zwangere vrouwen kijkt op, maar de vrouw met het dienblad zet het snel op tafel naast haar neer, schuift een stoel dichterbij en trekt zich op haar tenen staand naar boven, totdat ze met haar neus tegen het rooster geduwd de vingers van het meisje aanraakt. “Rosa, fluistert ze, gelukkig, ik dacht dat ze je te pakken hadden gekregen”. Toen zag ze mij en trok van schrik haar gezicht naar achter, waardoor ze bijna viel.
“Rustig, mam, ze is ok, ze is zelf gister nieuw naar binnen gebracht”, zegt het meisje wat dus Rosa blijkt te heten. De vrouw kijkt schrikachtig om, waar alle vrouwen zonder ook maar een spier te vertrekken doorgaan met waar ze mee bezig waren. Kennelijk ziet ze mijn frons en legt uit dat ze allemaal licht gedrogeerd zijn om ze kalm te houden. “Wilt u alstublieft hulp halen? Mijn Rosa weet de weg en kan u via de oude was-sluis naar een dienstingang brengen”. Ze legt me snel uit hoe ik daarna lopen moet. Het is zeker tien kilometer naar de bewoonde wereld en ze kijkt me smekend aan. “Denk je dat je dat redt?”
Ik schud dapper van ja terwijl ik dacht aan de temperatuur buiten en mijn nu al koude voeten. Snel raakte ze nog even de vingertoppen van Rosa aan en en vroeg of ze nog genoeg te eten had. Het meisje knikt van ja en tegelijkertijd beginnen haar moeder en ik aan een terugtrekkende beweging, we hadden allebei het geluid op de gang gehoord.
De vrouw zet snel de stoel weg en begint de glazen sap uit te delen aan de voor zich uit starende vrouwen. Toen waren wij op weg naar buiten.

- To be continued. -

Volgende week zondag volgt deel 5. Lijkt het je leuk om ook een deel te schrijven? Laat het me weten!

To be continued (3)

Deel 3 is geschreven door Patricia Vlasman.
www.patriciavlasman.nl

Dan draai ik me om en begin te rennen. De lange gang door waar ik vandaan kwam. Aan het einde sla ik rechtsaf. In mijn haast glijdt de ceintuur van de badjas weg, en wappert de duster als een cape langs mijn lijf. Ik kom terecht in een soort van open ruimte. Het plafond is een grote glazen koepel waardoor zonlicht naar binnen valt. In het midden van het vertrek staat een enorme ronde tafel met stoelen. Het heeft veel weg van een congrescentrum. Mijn hart bonkt in mijn keel en angstig kijk ik om me heen. In de verte hoor ik rennende voetstappen dichterbij komen. Shit. Ik moet me ergens verstoppen. Ik kijk het vertrek rond en besef dat ik niet veel tijd meer heb voordat de man met de bijl achter me staat. Paniekerig speur ik rond tot mijn blik blijft hangen bij een enorme palm in pot. Er is niet veel anders waarachter ik me kan verschuilen en ik besluit de gok te wagen. Ik verschans me achter de aardewerken bak en maak me zo klein mogelijk. Een paar seconden later loopt de man het vertrek binnen. Zijn ademhaling klinkt zwaar en hij hoest. In zijn rechterhand zie ik de bijl glinsteren. Angstig trek ik mijn hoofd in. Vanuit zijn positie is het niet mogelijk om mij te zien. Hoop ik. Ik verroer me niet en durf amper te slikken. Geconcentreerd luister ik naar zijn voetstappen die echter plots tot stilstand komen. Mijn adem stokt in mijn keel en mijn ogen houd ik wijd open gesperd. Ik kan niet omhoog komen om te spieken waar de man zich ophoudt. Mijn onderbenen trillen van de gebukte houding waarin ik zit. Op het moment dat ik denk dat hij voor mijn neus zal staan, hoor ik zijn stem. ‘Met mij. Ik sta op afdeling B2 en hier is ze niet.’ Ik herken de donkere klank die ik gisteren aan de bar nog zo sexy vond. Kennelijk spreekt hij met iemand door zijn mobieltje. ‘Ja. Ik begrijp het. Nee… Goed. Waarschuw jij Gerrit? Ja. Ik loop richting C1 en als ik haar op weg daar naar toe al niet heb gevonden, dan loopt ze geheid tegen Gerrit aan. Nee ik begrijp het. Nee natuurlijk. Ze mag voor geen goud het kind vinden.’ Zweetdruppels kriebelen op mijn voorhoofd. Ik vermoed dat hij de omgeving nog goed afspeurt. Dan hoor ik hem weglopen. De echo van zijn voetstappen ebt geleidelijk weg. Pas als ik zeker weet dat hij niet terugkeert, durf ik mijn borst vol lucht te zuigen.

Ik wrijf het zweet van mijn voorhoofd. Ik laat me op mijn billen zakken en strek mijn benen voor me uit. Ze slapen van het te lang in een bepaalde houding zitten. Mijn voeten prikken alsof er duizenden accupunctuur naaldjes inzitten. Als ik mijn vochtige handpalmen aan de badjas wil afgeven, schrik ik van blauwe afdrukken om mijn polsen. Mijn god. Ik inspecteer de binnenkant en zie duidelijk de inkerving van iets straks. Handboeien! schiet in een flits door mijn hoofd. Vage flarden van de nacht openbaren zich. Van schrik verslik ik me en speeksel belandt in mijn verkeerde keelgat. Ik moet hevig hoesten. Mijn ogen branden en ik voel ze vollopen met traanvocht. Dan ontwaar ik in mijn linkeronderarm een rood knobbeltje. Ik wrijf erover en besef dat ik met een naald geprikt ben. Aan de grootte van de plek te zien vermoed ik zelfs dat er een infuus heeft ingezeten. Het duizelt me. Het feit dat ik niet helder ben en slechts gefragmenteerd beelden tot me krijg wil maar een ding zeggen, en dat is dat ik flink gedrogeerd ben geweest. Ze hebben me iets toegediend, maar wat? Ik besluit op te staan en wankelend trek ik me aan de rand van de bloempot omhoog. Schichtig blijf ik achter de exotische plant staan om er zeker van te zijn dat ik alleen ben. Dan loop ik naar de tafel in het midden van de kamer. Er zijn maar twee kanten die ik opkan, daar waar ik vandaan kwam en een gang waar de man met de bijl mogelijk is ingelopen. Maar dat weet ik niet zeker. Alhoewel, hij zei dat ie naar afdeling C zou gaan. Ik gok het erop. Ik neem de weg waar ik vandaan kwam. Naar alle waarschijnlijkheid denken ze toch dat ik de andere kant ben opgelopen en verwachten ze me niet terug. Ik ril en begin te klappertanden. De kou en de angst begint me parten te spelen. Ik wikkel de badjas strak om me heen en vouw mijn armen om mijn lichaam zodat ie niet openvalt. Op mijn blote voeten beweeg ik me richting de donkere gang totdat mijn oog valt op een beweging achter mij. Ik draai me met een ruk om en verwacht de roodzwart geblokte blouse van de man te zien, maar kijk recht in de ogen van een klein angstig kaalgeschoren kind. 

- to be continued -

Volgende week zondag volgt deel 4 ook weer geschreven door een gastschrijver. Wil je ook een deel schrijven? Laat het me weten!